ITS-criteria: begripsbepalingen

Home
Inleiding
Definities
Procesgang
Ontheffingen
Uitgangspunten
Eisen per onderdeel
Begrippen
Gebruiksfunctie:
Gedeelten van één of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die samen een gebruikseenheid vormen.

Integraal toegankelijke toiletruimte:
Toiletruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers.

Integraal toegankelijke badruimte:
Badruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers.

Loopafstand:
Afstand gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare vloeiend verlopende lijn tussen twee punten. Waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructieonderdelen kan worden gelopen, waarbij liftbewegingen niet meegerekend worden.

Rookcompartiment:
Het gedeelte van één of meer gebouwen dat bestemt voor maximaal uitbreidingsgebied van rook.

Rookvrije vluchtroute:
Van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een rookcompartiment of een sub brand compartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.

Technische ruimte:
Ruimte voor het plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van een gebouw, waaronder in elk geval begrepen een meterruimte, een liftmachine ruimte en een stookruimte.

Toegang van een gebruiksfunctie:
Toegang tot het aansluitende terrein, een gemeenschappelijke verkeersruimte, een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een ruimte van een andere gebruiksfunctie, ter plaatse waarvan een route begint die uitsluitend door niet-gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie naar een punt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied voert.

Toegankelijkheidssector:
Gedeelte van een gebouw dat mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers.

Trappenhuis:
Verkeersruimte waarin zich een trap bevindt.

Veiligheidstrappenhuis:
Trappenhuis waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert en dat in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte.

Verblijfsgebied:
Gedeelte van een gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaande uit één of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische ruimte of een verkeersruimte.

Verblijfsruimte:
Ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.

Verkeersruimte:
Ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte.

Verkeersroute:
Route die begint bij een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte.

Vluchttrappenhuis:
Trappenhuis waardoor een rookvrije vluchtroute voert.

Gebruiksoppervlakte:
Gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580.

Vrije hoogte:
Vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580.

Woongebouw:
Gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes.

Cellengebouw:
Gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer celfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes.

Logiesgebouw:
Gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer logiesfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes.

Bezoekers:
Mensen die regelmatig of incidenteel een gebouw bezoeken en niet beschikken over een (vaste) werk- of verblijfplek in het gebouw (bijvoorbeeld publiek, klanten en leveranciers).

Medewerkers:
Dagelijkse gebruikers zijn mensen die beschikken over een vaste werk- of verblijfplek in het gebouw of daarop aanspraak kunnen maken. Meestal zijn dit de mensen die in dienst zijn van de organisatie die in het gebouw is gehuisvest, de werknemers.

AGP:
Algemene Gehandicaptenparkeerplaats, gereserveerd voor mensen die een gehandicaptenparkeerkaart hebben.

AIP:
Algemene Invalidenparkeerplaats (verouderde begrip, maar wordt nog gebruikt). Zie ook AGP.

Looproute / rolroute:
Route die bestemd is voor voetgangers (met of zonder loophulpmiddel)

Toegangspad:
Pad voor voetgangers vanaf de openbare weg tot aan de entree van het gebouw.

Trottoir verlaging:
Verhoging of verlaging in het trottoir dat het mogelijk maakt de rijbaan of een andere aangrenzende weg/pad te bereiken.

Gids-/ geleidelijnen:
Voorziening om voor blinden en slechtzienden het volgen van een route mogelijk te maken is routegeleiding door voelbaar afwijkende vloerafwerking nodig. Routegeleiding kan op een natuurlijke wijze door gebruik te maken van de met de taststok voelbare randen van de looproute, zoals continu doorlopende opsluitbanden, gevels, afrasteringen en balustrades. Dit is een zogenoemde (natuurlijke) gidslijn. Waar deze natuurlijke begeleiding ontbreekt, is een aanvullende voorziening nodig in de vorm van een geprofileerde afwerking van het loopoppervlak in de richting van de looproute, een zogenoemde geleidelijn.

Braille:
Een speciaal voor blinden ontwikkeld lees- en schrijfalfabet. Braille is een zogenaamd reliëfalfabet; de letters en andere aanduidingen worden door middel van puntjes in het papier gedrukt, zodat er een kleine verhoging voelbaar is, die met de vingertoppen 'gelezen' kunnen worden.

Ringleiding:
Zorgt ervoor dat slechthorenden met een hoortoestel het geluid van televisie, radio of het geluid in bijvoorbeeld een concertzaal of kerk kunnen beluisteren. Het geluidssignaal wordt aangesloten op een versterker. Deze versterker zendt het geluidssignaal door een draad (de ring) die in lussen langs plint of plafond is aangelegd. Door middel van inductie ontvangt het hoortoestel het signaal uit de ringleiding. Elke individuele luisteraar met een hoortoestel kan draadloos gebruikmaken van deze ringleiding.

Onderrijdbaar:
Voornamelijk gebruikt t.b.v. meubels, interieurs, keukens en sanitaire toestellen. T.b.v. rolstoelgebruikers die met de rolstoel onder een tafel of tafel moeten kunnen komen.

Helling:
Een schuin op- of aflopende vloer of terrein die de verbinding vormt tussen twee verschillende hoogtes.

Hellingbaan:
Een aangelegde helling die hoofdzakelijk door rolstoelgebruikers en/of mensen met een beperkte been functie gebruikt wordt om geringe (tot 1 meter) hoogteverschillen te overbruggen

Bedieningselement:
Alle elementen die door gebruikers door middel van een handeling bediend kunnen worden, zoals grepen, handvatten en knoppen aan deuren en ramen, automaten of apparaten. Bijvoorbeeld: liften, ventilatiesystemen, intercomsystemen, telefoons, parkeerautomaten, betaalautomaten, pin/chipautomaten, koffie/thee automaten, drank/snoep/sigarettenautomaten, volgnummerautomaten, internetzuil (waarbij toetsenbord en muis bedienbaar moeten zijn), informatiezuil, computerwerkplek, cataloguscomputer, en dergelijke.

(Versie: juli 2008)